<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>3RRR</title>
	<atom:link href="https://3rrrbelastingadviseurs.nl/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://3rrrbelastingadviseurs.nl</link>
	<description>belastingadviseurs</description>
	<lastBuildDate>Thu, 20 Aug 2026 10:00:43 +0000</lastBuildDate>
	<language>nl-NL</language>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	<generator>https://wordpress.org/?v=7.1</generator>

<image>
	<url>https://3rrrbelastingadviseurs.nl/wp-content/uploads/2025/08/favicon.svg</url>
	<title>3RRR</title>
	<link>https://3rrrbelastingadviseurs.nl</link>
	<width>32</width>
	<height>32</height>
</image> 
	<item>
		<title>Tips &#038; Actueel augustus 2026</title>
		<link>https://3rrrbelastingadviseurs.nl/nieuwsbrieven/tips-actueel-augustus-2026/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Ewoud De Ruiter]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 20 Aug 2026 08:43:00 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Nieuwsbrieven]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://3rrrbelastingadviseurs.nl/?p=2176</guid>

					<description><![CDATA[Onderwerpen nieuwsbrief: Uitstel stemming Wet werkelijk rendement box 3 in de Eerste Kamer Rechtbank tikt Belastingdienst op de vingers in miljoenenzaak tegen Mendix-oprichters over lucratief belang Standpunt kennisgroep over lucratief belang Wijzigingen in de ANBI-regeling Uitstel stemming Wet werkelijk rendement box 3 in de Eerste Kamer De Eerste Kamer stelde de stemming over het wetsvoorstel [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p><strong>Onderwerpen nieuwsbrief:</strong></p>
<ul>
<li><strong>Uitstel stemming Wet werkelijk rendement box 3 in de Eerste Kamer</strong></li>
<li><strong>Rechtbank tikt Belastingdienst op de vingers in miljoenenzaak tegen Mendix-oprichters over lucratief belang</strong></li>
<li><strong>Standpunt kennisgroep over lucratief belang</strong></li>
<li><strong>Wijzigingen in de ANBI-regeling</strong></li>
</ul>
<p><strong>Uitstel stemming Wet werkelijk rendement box 3 in d</strong><strong>e Eerste Kamer</strong></p>
<p>De Eerste Kamer stelde de stemming over het wetsvoorstel (beoogde inwerkingtreding 2028) uit. Staatssecretaris Eelco Eerenberg krijgt de zomer om aanpassingen te doen, vooral vanwege bezwaren tegen de heffing over ongerealiseerde “papieren winsten”, de vermogensaanwasbelasting (VAB). Coalitiepartijen VVD en CDA uitten kritiek op het wetsvoorstel in de huidige vorm. Op Prinsjesdag wordt een novelle verwacht.</p>
<p>Het wordt afwachten wat het uitstel betekent, bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer begin dit jaar heeft de Staatssecretaris van Financiën al aangegeven dat het aannemen van het wetsvoorstel geen langer uitstel kon hebben vanwege de doorlooptijd die de Belastingdienst nodig heeft om de systemen aan te passen. Misschien betekent uitstel wel dat de nieuwe box 3 wet pas in een later jaar wordt ingevoerd of dat het wetsvoorstel in zijn geheel terug gaat naar de tekentafel.</p>
<p><strong>Rechtbank tikt Belastingdienst op de vingers in miljoenzaak tegen Mendix-oprichters over lucratief belang</strong></p>
<p>De rechtbank Den Haag oordeelde dat de Belastingdienst “tegen beter weten in” een aanslag van circa 35 miljoen euro had opgelegd aan een van de oprichters van softwarebedrijf Mendix (verkocht aan Siemens in 2018). De fiscus handelde onjuist bij de beoordeling van een “lucratief belang” en veroorzaakte daarmee een buitensporige belastingdruk. In dit geval wilde de Belastingdienst tegen beter weten in belasting heffen over de verkoop van aandelen door één van de oorspronkelijke oprichters. Op grond van de wetsgeschiedenis kwalificeren de aandelen van een oorspronkelijke oprichter van een bedrijf niet als een lucratief belang.</p>
<p>Deze uitspraak laat het belang zien om tijdig te inventariseren of sprake is van een lucratief belang, zodat belastingheffing tot ongeveer 80% bij verkoop van een aandelenbelang wordt voorkomen. Als een lucratief belang wordt gehouden via een persoonlijke holding, is de belastingdruk over het lucratief belang in 2026 maximaal 31% als het genoten voordeel direct als dividend wordt uitgekeerd. Wordt het voordeel uit lucratief belang niet als dividend uitgekeerd, dan is het voordeel in box 1 belast tegen maximaal 49,5% en is ook nog eens maximaal 31% inkomstenbelasting in box 2 verschuldigd als het voordeel in een later jaar als dividend wordt uitgekeerd. In dat geval is de belastingdruk dus bijna 80%.</p>
<p>Bij een personeelsparticipatie is het soms de vraag of er een voordeel uit loondienstbetrekking is op het moment dat een aandelenparticipatie wordt verworven in de werkgever. Door gebruik te maken van de lucratief belangregeling, kan men de discussie met de Belastingdienst of er op het moment van participeren al een loonvoordeel is voorkomen.</p>
<p><strong>Standpunt kennisgroep over lucratief belang</strong></p>
<p>De kennisgroep van de Belastingdienst heeft op 3 augustus 2026 een standpunt gepubliceerd over een manager die voor Target bv werkzaamheden verricht en gewone aandelen houdt, waarbij pas na verloop van tijd sprake is van een lucratief belang. In de geschetste casus houdt een investeerder naast gewone aandelen cumulatief preferente aandelen met een jaarlijkse vergoeding van 12%. Als bij aanvang van de participatie niet is voldaan aan de in artikel 3.92b tweede lid, Wet IB 2001 genoemde verhouding van 10/90 tussen het geplaatste kapitaal van gewone aandelen versus het geplaatste kapitaal op de cumulatief preferente aandelen is op dat moment geen sprake van een lucratief belang. Volgens het standpunt van de kennisgroep kan op een later moment wel een lucratief belang ontstaan als de jaarlijkse vergoeding waar de cumulatief preferente aandeelhouders recht op hebben niet jaarlijks wordt uitgekeerd, maar wordt bijgeschreven waarbij over het bijgeschreven deel ook recht bestaat op een vergoeding van 12%. Dan kan door de bijschrijving op een gegeven moment een andere verhouding ontstaan tussen de gewone aandelen en de cumulatief preferente aandelen, waardoor vanaf een bepaald moment sprake is van een lucratief belang.</p>
<p>Dit kennisgroepstandpunt laat zien dat het mogelijk is dat door gewijzigde financieringsverhoudingen een aandelenbelang of een ander vermogensrecht wat eerst niet als lucratief belang kwalificeerde, dat later wel wordt. Belangrijk blijft wel om te blijven toetsen of aan de vereisten van het aanmerkelijk belang wordt voldaan. Als in de geschetste casus op voorhand al duidelijk was dat de vergoeding op de cumulatief preferente aandelen zal worden bijgeschreven, dan kan het standpunt wel eens correct zijn. Als het bijschrijven door onvoorziene omstandigheden gebeurt, is het de vraag of sprake is van een lucratief belang.</p>
<p><strong>Wijzigingen in de ANBI-regeling</strong></p>
<p>In een Kamerbrief van 1 juni 2026 heeft de staatssecretaris Eerenberg een update gegeven over de stand van zaken van het vervolgonderzoek naar verbetermogelijkheden van de ANBI-regeling. Het gaat om een opvolging van de kabinetsreactie op de evaluatie ANBI/SBBI-regelingen van 1 juli 2025.</p>
<p>Per 1 januari 2025 is de mogelijkheid van geven vanuit de besloten vennootschap voor de DGA afgeschaft zonder alternatief. Op grond van de tot 1 januari 2025 bestaande regeling kon een DGA giften doen vanuit de besloten vennootschap zonder dat dit leidde tot een dividenduitkering aan de DGA omdat voor de gift feitelijk sprake was van een persoonlijke behoefte bevrediging van de DGA. Op dit moment is nog niet bekend of er weer een regeling komt op grond waarvan de DGA kan geven uit de b.v..</p>
<p>Aangekondigd is dat de toezicht op ANBI&#8217;s (circa 45.000) wordt geïntensiveerd via een tactisch handhavingsplan, vooruitlopend op de ANBI-portal (naar verwachting operationeel rond 2030).</p>
<p>Regeldruk: er komt meer aandacht voor het afgeven van groepsbeschikkingen (één beschikking voor meerdere verwante ANBI&#8217;s) om administratieve lasten te verlagen. Digitale aanvraag van de ANBI-beschikking en het ANBI-loket blijven bestaan.</p>
<p>Internationaal werkende ANBI&#8217;s: ANBI&#8217;s mogen hun doel ook via buitenlandse partnerorganisaties zonder ANBI-status realiseren, mits aannemelijk gemaakt wordt dat het geld algemeen nuttig wordt besteed. De Belastingdienst gaat bezien of praktische handvatten kunnen worden geboden. Belangrijk voor de ANBI’s is dat ze de afspraken met de buitenlandse partnerorganisaties goed schriftelijk vastleggen. Op die manier kan de ANBI aannemelijk maken aan welke algemeen nuttige activiteit de buitenlandse partnerorganisatie de bijdrage besteed.</p>
<p>Minimumaantal bestuurders: geen aanscherping van het beschikkingsmachtcriterium. Zo komt er geen verbod op familiemeerderheid in het bestuur van de ANBI of verplicht een bepaald minimaal aantal bestuurders.</p>
<p>NSW-landgoederen in een ANBI: er komt een nader onderzoek naar situaties waarin voormalige eigenaren op het landgoed blijven wonen nadat de stichting die het eigendom heeft de ANBI-status heeft verkregen, wat kan wringen met de 90%-eis voor algemeen nut. De eerste resultaten worden verwacht in de tweede helft van 2026.</p>
<p>Voormalige ANBI&#8217;s: huidige informatieverplichting (bij vermogen ≥ €25.000) is niet altijd effectief. Kabinet voert daarom per 1 januari 2029 een bestedingsverplichting in: het resterende ANBI-vermogen moet binnen twee jaar na statusverlies algemeen nuttig worden besteed. Een fiscale eindheffing wordt niet ingevoerd vanwege complexiteit en principiële bezwaren.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Fiscaal Praktijkblad: Algemeen nut of particulier belang, dat is de vraag? Of: De open norm van algemeen nut</title>
		<link>https://3rrrbelastingadviseurs.nl/vakbladen/fiscaal-praktijkblad-algemeen-nut-of-particulier-belang-dat-is-de-vraag-of-de-open-norm-van-algemeen-nut/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Ewoud De Ruiter]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 17 Aug 2026 11:46:03 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Vakbladen]]></category>
		<category><![CDATA[algemeen nut beogende instelling]]></category>
		<category><![CDATA[ANBI]]></category>
		<category><![CDATA[stichting]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://3rrrbelastingadviseurs.nl/?p=2170</guid>

					<description><![CDATA[Een stichting of vereniging kan alleen als algemeen nut beogende instelling (ANBI) kwalificeren wanneer zij het algemeen nut beoogt. Sinds 1 januari 2012 is het begrip ‘algemeen nut’ gecodificeerd in de Geefwet (Stb. 2011, 641). Daarvóór werd het ingevuld via jurisprudentie. Hoewel de wet nu een wettelijke basis biedt, is die jurisprudentie nog steeds richtinggevend, [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p><strong>Een stichting of vereniging kan alleen als algemeen nut beogende instelling (ANBI) kwalificeren wanneer zij het algemeen nut beoogt. Sinds 1 januari 2012 is het begrip ‘algemeen nut’ gecodificeerd in de Geefwet (Stb. 2011, 641). Daarvóór werd het ingevuld via jurisprudentie. Hoewel de wet nu een wettelijke basis biedt, is die jurisprudentie nog steeds richtinggevend, omdat de inhoud van het begrip niet is gewijzigd door de codificatie. In dit artikel bespreek ik hoe het begrip ‘algemeen nut’ is uitgewerkt in rechtspraak en de Geefwet. Ook behandel ik uitspraken waarin Belastingdienst en rechter het begrip beperkter uitleggen dan volgt uit wet, parlementaire geschiedenis en Hoge Raad. Aan de hand van voorbeelden laat ik zien dat de redactie van de doelomschrijving in de statuten soms doorslaggevend is bij de vraag of sprake is van ‘algemeen nut’ in materieel vergelijkbare situaties.</strong></p>
<p><a href="https://3rrrbelastingadviseurs.nl/wp-content/uploads/2026/08/FP2025-10%20Algemeen%20nut%20of%20particulier%20belang_dat%20is%20de%20vraag.%20-%20Ewoud%20de%20Ruiter.pdf">Lees het gehele artikel in de Pdf</a></p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Tips &#038; Actueel maart 2026</title>
		<link>https://3rrrbelastingadviseurs.nl/nieuwsbrieven/tips-actueel-maart-2026/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Ewoud De Ruiter]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 17 Mar 2026 11:59:30 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Nieuwsbrieven]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://3rrrbelastingadviseurs.nl/?p=2173</guid>

					<description><![CDATA[Piekvereiste geldt niet bij vormen onderhoudsvoorziening Een woningcorporatie met circa 33.000 verhuureenheden, heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting 2016 een onderhoudsvoorziening van € 142,7 miljoen opgenomen. Deze voorziening is gebaseerd op planmatig (groot) onderhoud en extra onderhoud bij mutaties, zoals vastgelegd in de door haar gebruikte technische complexanalyses (TCA) en onderhoudsprognoses. Tijdens een boekenonderzoek ontstond tussen [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p><strong>Piekvereiste geldt niet bij vormen onderhoudsvoorziening</strong></p>
<p>Een woningcorporatie met circa 33.000 verhuureenheden, heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting 2016 een onderhoudsvoorziening van € 142,7 miljoen opgenomen. Deze voorziening is gebaseerd op planmatig (groot) onderhoud en extra onderhoud bij mutaties, zoals vastgelegd in de door haar gebruikte technische complexanalyses (TCA) en onderhoudsprognoses.</p>
<p>Tijdens een boekenonderzoek ontstond tussen belanghebbende en de inspecteur een principieel geschil over de voorwaarden voor het vormen van een fiscaal aftrekbare onderhoudsvoorziening. Om uitsluitend de rechtsvragen aan de rechter voor te leggen, sloten partijen in 2020 een vaststellingsovereenkomst.</p>
<p><strong>Kern van het geschil in hoger beroep</strong></p>
<p>Het hof beantwoorde de volgende twee vragen:</p>
<ol>
<li>Geldt bij het vormen van een onderhoudsvoorziening dat de toekomstige onderhoudskosten fors hoger zijn dan de gemiddelde jaarlijkse omvang van de onderhoudsuitgaven (het piekvereiste)?</li>
<li>Moet bij de berekening van de voorziening worden uitgegaan van het criterium “groot onderhoud” volgens het arrest van de Hoge Raad van 20 augustus 1980 (BNB 1981/1)?</li>
</ol>
<p><strong>Overwegingen van het hof</strong></p>
<ol>
<li>Geen piekvereiste (vraag I)</li>
</ol>
<p>Het hof verwerpt het standpunt van de inspecteur dat een onderhoudsvoorziening alleen kan worden gevormd wanneer toekomstige onderhoudsuitgaven in een bepaald jaar substantieel hoger zijn dan gemiddeld (“piekvereiste”).</p>
<p>Belangrijkste argumenten:</p>
<p>Op grond van het baksteenarrest (HR 26 augustus 1998) mag een voorziening worden gevormd als aan de volgende voorwaarden is voldaan:</p>
<ol>
<li>Die uitgaven hun oorsprong vinden in feiten en omstandigheden, die zich voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan (oorsprongvereiste);</li>
<li>Die uitgaven ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend (toerekeningsvereiste);</li>
</ol>
<ul>
<li>Ter zake van die uitgaven een redelijke mate van zekerheid bestaat dat zij zich zullen voordoen (redelijke mate van zekerheid).</li>
</ul>
<p>Het Hof oordeelt dat aan deze eisen voor het vormen van een onderhoudsvoorziening wordt voldaan. Het Baksteenarrest biedt geen aanwijzing voor het stellen van een piekvereiste.</p>
<p>Het door de inspecteur aangehaalde arrest HR 20 augustus 1980, BNB 1981/1 ziet op de egalisatiereserve, niet op onderhoudsvoorzieningen. De egalisatiereserve is naar haar aard niet vergelijkbaar:</p>
<ul>
<li>een kostenegalisatiereserve (KER) betreft eigen vermogen en is wettelijk geregeld, het betreft een winstbestemmende gelijkmatige verdeling van kosten en lasten.</li>
<li>een voorziening betreft fiscaalrechtelijk vreemd vermogen en volgt uit goedkoopmansgebruik. Is gericht op het toedelen van (fiscaal aftrekbare en dus winstbepalende) toekomstige uitgaven aan de jaren waarin die uitgaven volgens goedkoopmansgebruik thuishoren (matchingsbeginsel).</li>
</ul>
<p>Ook andere door de inspecteur genoemde arresten, bieden geen aanknopingspunt dat het piekvereiste geldt voor het vormen van een onderhoudsvoorziening.</p>
<ol start="2">
<li>Geen verplicht groot‑onderhoudscriterium uit BNB 1981/1 (vraag II)</li>
</ol>
<p>Het hof verwerpt eveneens het standpunt van de inspecteur dat alleen kosten van “niet jaarlijks voorkomend onderhoud, mits van enige betekenis” in een onderhoudsvoorziening mogen worden opgenomen.</p>
<p>Het criterium uit BNB 1981/1 is uitsluitend relevant voor de egalisatiereserve.</p>
<p>Voor de onderhoudsvoorziening geldt uitsluitend toetsing aan de criteria die geformuleerd zijn in het Baksteenarrest.</p>
<p><strong>Conclusie en beslissing</strong></p>
<p>Het hof verklaart het hoger beroep van de inspecteur ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Dat betekent dat voor het vormen van een onderhoudsvoorziening er geen sprake hoeft te zijn van een piek in de onderhoudskosten. De rechter geeft hiermee een antwoord op de vragen die zijn ontstaan rond het vormen van een onderhoudsvoorziening door woningcorporaties. Door de Belastingdienst en in de vakliteratuur werd het standpunt ingenomen dat om te doteren aan de voorziening groot onderhoud aan het piekvereiste moet zijn voldaan. Met deze uitspraak van het Hof die de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigde, denk ik dat er duidelijkheid is gekomen: geen voorwaarde is dat aan het piekvereiste moet zijn voldaan om aan de onderhoudsvoorziening te doteren. Het is nog afwachten of de Belastingdienst nog beroep in cassatie gaat aantekenen. Omdat de procedure bij de rechter was ingestoken om een antwoord op rechtsvragen te krijgen, is dat nog mogelijk.</p>
<p>Voor woningcorporaties en andere vastgoedbeleggers in de winstsfeer geldt dat die met deze uitspraak zekerheid hebben over de mogelijkheid om een voorziening groot onderhoud te vormen. Voor zover er nog geen onderhoudsvoorziening is gevormd, kan overwogen worden om alsnog een voorziening groot onderhoud te vormen. Op die manier kunnen opbrengsten en kosten beter worden toegerekend worden aan de periode waarop die betrekking hebben.</p>
<p><strong>Procedure bij rechte door woningcorporatie over renteaftrekbeperking ATAD</strong></p>
<p>De Amsterdamse woningcorporatie Stadgenoot heeft een juridische procedure aangespannen tegen de Belastingdienst vanwege de toepassing van een renteaftrekbeperking uit de Europese Anti Tax Avoidance Directive (ATAD). Deze richtlijn, die sinds 2019 is opgenomen in de Nederlandse vennootschapsbelasting (Vpb), beperkt de aftrek van rente op leningen en leidt volgens Stadgenoot tot miljoenen euro&#8217;s extra belastingdruk per jaar. De corporatie, een van de eerste in Nederland die deze stap zet, argumenteert dat de regelgeving niet bedoeld is voor non-profitorganisaties zoals woningcorporaties, die geen winstoogmerk hebben en zich richten op sociale huisvesting.</p>
<p>Achtergrond en redenen</p>
<p>Woningcorporaties betalen sinds 2008 Vpb. Op grond van de ATAD-richtlijn is de rente die een woningcorporatie betaalt in aftrek beperkt. De ATAD-richtlijn is primair gericht op het voorkomen van belastingontwijking door internationale ondernemingen met aandeelhouders, maar treft ook corporaties hard omdat zij veel lenen voor nieuwbouw en verduurzaming. Stadgenoot heeft de afgelopen zeven jaar circa 290 miljoen euro aan rente niet kunnen aftrekken, en verwacht voor de komende tien jaar nog eens 640 miljoen euro. Dit resulteert in een jaarlijkse extra belasting van ongeveer 16 miljoen euro, wat investeringen in onderhoud, nieuwbouw en energiebesparende maatregelen belemmert.</p>
<p>De procedure</p>
<p>Na afwijzing van een bezwaarschrift in januari dit jaar, heeft Stadgenoot beroep aangetekend bij de bestuursrechter. De zaak kan jaren duren en mogelijk tot aan het Europese Hof van Justitie worden gevoerd. Ongeveer 140 corporaties hebben vergelijkbare bezwaar- en beroepsschriften en ingediend, en brancheorganisatie Aedes schat de sectorbrede extra belasting op meer dan 770 miljoen euro per jaar, oplopend tot 1,5 miljard in 2029.</p>
<p>Als de ATAD richtlijn niet van toepassing is, betekent dat woningcorporaties minder vennootschapsbelasting betalen en daardoor meer geld overhouden om te investeren in nieuwe huisvesting.</p>
<p>Belangrijk is om tijdig bezwaar aan te tekenen tegen opgelegde definitieve aanslagen vennootschapsbelasting om geen rechten te verliezen.</p>
<p>Deze procedure is niet alleen van belang voor alle woningcorporaties, de uitkomst kan mogelijk ook gevolgen hebben voor andere vennootschapsbelastingplichtige woningverhuurders waarvan de betaalde rente op leningen in aftrek is beperkt.</p>
<p><strong>Nieuwe box 3-wetgeving &#8211; een update</strong></p>
<p>De nieuwe box 3 wetgeving is inmiddels aangenomen in de Tweede Kamer. Even leek het erop dat naar aanleiding van uitlatingen van de Minister van Financiën Eelco Heinen de box 3 wetgeving zou worden aangepast. Inmiddels is duidelijk dat als er al aanpassingen worden gedaan, die pas vanaf 2029 zullen worden ingevoerd. De nieuwe box 3 wetgeving zoals gepubliceerd wordt de nieuwe realiteit. Met name de vermogensaanwasbelasting leidt ertoe dat er inkomstenbelasting wordt geheven over nog niet gerealiseerde waardestijging. Onroerend goed en aandelen in startups zijn hiervan gevrijwaard, hier hoeft pas afgerekend te worden nadat het onroerend goed of de aandelen verkocht zijn.</p>
<p>Voor bepaalde niet liquide belangen in besloten vennootschappen kleiner dan 5% die niet als startup kwalificeren pakt de nieuwe wetgeving niet goed uit. Dat betekent jaarlijks de aandelen waarderen en terwijl er wellicht geen liquiditeiten zijn, wel afrekenen in box 3 over de waardeaangroei. Dit speelt bijvoorbeeld bij werknemersparticipaties. Eventueel kan voordat de nieuwe wetgeving in werking treedt nagedacht worden of het mogelijk is om het belang dat in box 3 zit over te laten gaan naar box 2 via het omvormen van de aandelen, zodat een bijzondere soort aandelen ontstaat.</p>
<p>In het door D66, VVD en CDA op 30 januari 2026 gepresenteerde coalitieakkoord ’Aan de slag, Bouwen aan een beter Nederland’  staat dat het nieuwe box 3-stelsel wordt doorontwikkeld naar een stelsel op basis van een volledige vermogenswinstbelasting. De achtergrond hiervan is dat de coalitie lange termijnbeleggingen wil stimuleren. Hiervoor zal nog wel dekking gevonden moeten worden in de begroting.</p>
<p><strong>Onzakelijkheidsvermoeden van artikel 14a in strijd met fusierichtlijn</strong></p>
<p>Recent heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan in een procedure een uitspraak gedaan over het bewijsvermoeden van artikel 14a, lid 6 Wet VPb 1969. Artikel 14a regelt dat een juridische splitsing van een besloten vennootschap zonder fiscaal afrekenen in de vennootschapsbelasting kan plaatsvinden mits de splitsing een zakelijk motief heeft. Een zakelijk motief wordt niet aanwezig geacht als de aandelen binnen drie jaar na de splitsing verkocht worden, tenzij de belastingplichtige het zakelijke motief aannemelijk maakt.</p>
<p>Belanghebbende, een Nederlandse uitvaartverzekeringsmaatschappij, maakte deel uit van een verzekeringsgroep met complexe herverzekeringsstructuren en lopende fiscale geschillen. In 2017–2018 werd gewerkt aan een verkoop van de onderneming van belanghebbende. Hiervoor werd gekozen voor een afsplitsing naar een nieuwe vennootschap, gevolgd door een verkoop van het bij de afsplitsing verkregen aandeel aan een derde. Deze verkoop vond binnen drie jaar plaats.</p>
<p>In cassatie ging het om de volgende vraag. Is het wettelijke bewijsvermoeden uit art. 14a, lid 6, laatste volzin, dat zakelijke overwegingen ontbreken bij vervreemding binnen drie jaar, verenigbaar met de Fusierichtlijn (Richtlijn 2009/133/EG), met name art. 15?</p>
<p>Art. 15 Fusierichtlijn staat geen algemeen vermoeden van misbruik toe.</p>
<p>Lidstaten mogen alleen een vermoeden toepassen als het ontbreken van zakelijke overwegingen blijkt, en niet louter omdat zich een standaardfeit (zoals een verkoop binnen drie jaar) voordoet.</p>
<p>De inspecteur moet ten minste een begin van bewijs leveren dat:</p>
<ul>
<li>geen zakelijke overwegingen aanwezig zijn, of</li>
<li>aanwijzingen voor belastingontwijking bestaan.</li>
</ul>
<p>Het Nederlandse bewijsvermoeden gaat verder:</p>
<ul>
<li>het geldt automatisch, en</li>
<li>zonder dat de fiscus enige aanwijzing hoeft te geven.</li>
</ul>
<p>→ Dit is onverenigbaar met de Fusierichtlijn.</p>
<p>→ Het bewijsvermoeden moet buiten toepassing blijven.</p>
<ul>
<li>De HR bevestigt dat zowel het einddoel als de keuze van de weg (splitsing versus activa-passiva-transactie) zakelijk moeten zijn.</li>
<li>Aandeelhoudersmotieven (bijvoorbeeld wens tot verkoop) kunnen wel zakelijke overwegingen opleveren.</li>
<li>Na verwijzing moet opnieuw worden onderzocht of er voldoende zakelijke motieven waren.</li>
</ul>
<p>Deze uitspraak is belangrijk voor de praktijk omdat er meer fiscale reorganisatiefaciliteiten zijn om zonder belastingheffing te reorganiseren die een vergelijkbare tegenbewijsregeling kennen. Dus als binnen een termijn van drie jaar aandelen verkocht worden, wordt de bewijslast automatisch bij de belastingplichtige neergelegd om aan te tonen dat er zakelijke motieven zijn voor de eerder uitgevoerde reorganisatie of dat de verkoop van de aandelen geen vooropgezet plan is geweest. Een met de splitsingsfaciliteit van artikel 14a Wet Vpb 1969 vergelijkbare faciliteiten zijn: de bedrijfsfusie van artikel 14 Wet VPB 1969 maar ook de juridische splitsingsfaciliteit uit de overdrachtsbelasting.</p>
<p>Als u vragen heeft of van gedachte wil wisselen over bovenstaande, neem dan gerust contact met ons op: Ewoud de Ruiter 030 – 687 0 383.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Tips &#038; Actueel januari 2026</title>
		<link>https://3rrrbelastingadviseurs.nl/nieuwsbrieven/tips-actueel-januari-2026/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Ewoud De Ruiter]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 22 Jan 2026 07:30:19 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Nieuwsbrieven]]></category>
		<category><![CDATA[belastingrente]]></category>
		<category><![CDATA[btw-herziening]]></category>
		<category><![CDATA[inhuur]]></category>
		<category><![CDATA[wtmo]]></category>
		<category><![CDATA[zzp]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://3rrrbelastingadviseurs.nl/?p=2144</guid>

					<description><![CDATA[Hoge Raad zet streep door 8% belastingrente Sinds 1 januari 2022 gold voor de vennootschapsbelasting (Vpb) een aanzienlijk hoger belastingrentepercentage dan voor andere belastingen (zoals de inkomstenbelasting). Waar de rente voor de meeste belastingen op 4% lag, werd voor de Vpb een minimum van 8% (en later zelfs 10%) gehanteerd. De overheid rechtvaardigde dit door [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h1 style="text-align: left;">Hoge Raad zet streep door 8% belastingrente</h1>
<p style="text-align: left;">Sinds 1 januari 2022 gold voor de vennootschapsbelasting (Vpb) een aanzienlijk hoger belastingrentepercentage dan voor andere belastingen (zoals de inkomstenbelasting). Waar de rente voor de meeste belastingen op 4% lag, werd voor de Vpb een minimum van 8% (en later zelfs 10%) gehanteerd. De overheid rechtvaardigde dit door de Vpb-schuld gelijk te stellen aan een handelstransactie.</p>
<p style="text-align: left;">Het oordeel De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit onderscheid in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. De belangrijkste overwegingen zijn:</p>
<p style="text-align: left;">Geen handelstransactie: Een belastingschuld is geen commerciële overeenkomst, het hoge percentage voor handelstransacties mag daarom niet zomaar worden overgenomen.</p>
<p style="text-align: left;">Onredelijke last: De extra lastenverzwaring voor specifiek Vpb-plichtigen is onvoldoende gemotiveerd en disproportioneel.</p>
<p style="text-align: left;">Gevolgen: De bepaling die het minimum van 8% voorschrijft, is onverbindend verklaard. Voor de betreffende periodes moet de rente worden verlaagd naar het reguliere percentage dat ook voor andere belastingen geldt (doorgaans 4%).</p>
<h2 style="text-align: left;">Stappenplan: zo kan om vermindering worden verzocht</h2>
<ol style="text-align: left;">
<li><strong>Inventariseer uw aanslagen</strong><br />
Controleer uw (voorlopige) aanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2022, 2023, 2024 en 2025. Is er belastingrente in rekening gebracht?</li>
<li><strong>Controleer de termijnen</strong><br />
Aanslag nog niet definitief / korter dan 6 weken geleden: dan is het mogelijk om bezwaar te maken tegen de beschikking belastingrente.<br />
Aanslag reeds onherroepelijk (ouder dan 6 weken): U kunt niet meer in regulier bezwaar. U kunt dan een verzoek om ambtshalve vermindering indienen. Wij verwachten niet dat de Belastingdienst belastingrente op aanslagen die al voor de datum van de uitspraak van de Hoge Raad definitief waren zal herzien..</li>
<li><strong>Dien het verzoek/bezwaar in</strong><br />
Doe een verzoek tot vermindering van de berekende belastingrente. Let erop dat pas als de aanslag over het jaar waarover belastingrente is berekend definitief is, bezwaar aangetekend moet worden tegen die aanslag en dat pas op dat moment het verzoek tot vermindering van de te betalen belastingrente in behandeling wordt genomen.</li>
<li><strong>Afwachten van de collectieve afhandeling</strong><br />
De Belastingdienst heeft voor deze problematiek een aanwijzing massaal bezwaar afgegeven. Dit betekent dat als u tijdig bezwaar heeft gemaakt, uw bezwaar wordt aangehouden en collectief wordt afgehandeld na deze uitspraak. U hoeft dan niet zelf te procederen; de Belastingdienst zal de vermindering automatisch (moeten) doorvoeren.</li>
</ol>
<p>Wij zijn u met graag van dienst bij het verzoek om vermindering van te betalen belastingrente.</p>
<h1 style="text-align: left;">Nieuwe box 3 stelsel krijgt steun Tweede Kamer</h1>
<p style="text-align: left;">Uit de behandeling op 19 januari 2026 van het Wetsvoorstel werkelijk rendement blijkt dat de Tweede Kamer het wetsvoorstel steunt. Dat betekent dat de invoering van de Wet per 1 januari 2028 dichterbij komt. De Wet kent een aantal kritiekpunten, waarbij een belangrijk kritiekpunt is dat tussentijdse (niet gerealiseerde) waardestijgingen ook in de belastingheffing betrokken worden. Aandelen in startups en onroerend goed vallen onder de vermogenswinstbelasting, dat betekent dat pas hoeft te worden afgerekend over de waardestijging bij een verkoop. Voor veel politieke partijen geldt dat zij kritisch staan tegenover het belasten van tussentijdse vermogensstijgingen van box 3 vermogen. De vraag is of de nieuwe box 3 wet uiteindelijk wordt aangepast om tot een vermogenswinstbelasting te komen voor alle box 3 vermogensbestanddelen. Er is weinig tijd tot 1 januari 2028 om wijzigingen in de wet door te voeren en het budgettaire effect op de schatkist is ook groot. Dan kan de verleiding groot zijn om de wet zoals deze nu is opgesteld ongewijzigd aan te nemen.</p>
<h1 style="text-align: left;">Wijziging forfaitaire rendement in box 3 (sparen en beleggen) 2026</h1>
<p style="text-align: left;">Het forfaitaire rendement op overige bezittingen is vastgesteld op 6% in plaats van de aanvankelijk voorgestelde 7,78%. Dat betekent dat box 3 tot lagere inkomstenbelastingheffing leidt als wordt uitgegaan van het forfaitaire rendement. Door gebruik te maken van de tegenbewijsregeling kan er ook voor worden gekozen om over het daadwerkelijke rendement over het jaar 2026 inkomstenbelasting te laten heffen.</p>
<h1 style="text-align: left;">Invoering BTW-herziening voor kostbare diensten aan onroerend goed</h1>
<p style="text-align: left;">Een verbouwing aan onroerende zaken wordt voor btw-doeleinden als een dienst behandeld. Als er tijdens de verbouwing het voornemen bestaat om een onroerende zaak met btw te verhuren, kan de btw die op de verbouwingskosten drukt worden teruggevraagd van de Belastingdienst. Als de onroerende zaak na afloop van het kalenderjaar zonder btw wordt verkocht of verhuurd, hoeft de in aftrek gebrachte btw niet herzien te worden. Dat is per 1 januari 2026 veranderd. Voor diensten boven €30.000 geldt een herzieningstermijn van vijf jaar, wat aftrekbaarheid beïnvloedt bij verbouwingen of onderhoud. Als btw is afgetrokken en in de periode van vijf jaar na de verbouwing/renovatie het btw-belaste gebruik van het pand wijzigt, moet de eerder in aftrek gebrachte btw worden herzien volgens de herzieningsregels.</p>
<p style="text-align: left;">Als u verbouwingen laat verrichten aan panden waarvan de btw op de bouwkosten wordt afgetrokken, zal geadministreerd moeten worden over welke periode de herzieningstermijn van de afgetrokken btw loopt.</p>
<h1 style="text-align: left;">Wtmo: Wet transparantie maatschappelijke organisaties</h1>
<p style="text-align: left;">Op 1 april 2025 is de Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties door de Tweede Kamer aangenomen. Naar verwachting zal de wet per 1 juli 2026 in werking treden. Deze wet legt verschillende verplichtingen op aan maatschappelijke organisaties. Zo worden stichtingen verplicht om een staat van baten en lasten te publiceren in het handelsregister. Binnenkort komen we met een uitgebreidere notitie over de Wtmo en de verplichtingen voor maatschappelijke organisaties.</p>
<h1 style="text-align: left;">Schijnzelfstandigheid: handhaving vanaf 2025 zonder boetes in 2025 én 2026</h1>
<p style="text-align: left;">De Belastingdienst handhaaft sinds 1 januari 2025 weer volledig op schijnzelfstandigheid, met naheffingen mogelijk vanaf die datum. Na politieke druk zijn verzuimboetes uitgesteld tot 2027. Vergrijpboetes kunnen in 2026 wél worden opgelegd bij opzet.</p>
<p style="text-align: left;">Het inhuren van zelfstandigen brengt ook het risico met zich mee dat deze zelfstandigen die dus in loondienst zijn, recht hebben op pensioenopbouw. Dan kan de pensioenuitvoerder zich melden en pensioenpremie navorderen. Dit risico wordt nog wel eens over het hoofd gezien.</p>
<p style="text-align: left;">Het inhuren van zzp’ers die feitelijk in een loondienstbetrekking zijn brengt dus geen risico op boetes met zich mee mocht achteraf blijken dat sprake is van een loondienstbetrekking. Wel is er het risico op naheffing van loonheffingen en wellicht navordering van pensioenpremies.</p>
<p style="text-align: left;">Belangrijk is om deze risico’s goed in beeld te hebben en zoveel mogelijk te beperken door het inhuurproces goed op orde te hebben.</p>
<p>mr. Ewoud de Ruiter &#8211; <a href="https://www.linkedin.com/in/ewoudderuiter/" target="_blank" rel="noopener">(1) Ewoud de Ruiter ✅ TAX | LinkedIn</a></p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Eindejaarstips 2025</title>
		<link>https://3rrrbelastingadviseurs.nl/nieuwsbrieven/eindejaarstips-2025/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Ewoud De Ruiter]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 22 Oct 2025 08:15:59 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Nieuwsbrieven]]></category>
		<category><![CDATA[2025]]></category>
		<category><![CDATA[eindejaarstips]]></category>
		<category><![CDATA[inkomstenbelasting]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://3rrrbelastingadviseurs.nl/?p=2103</guid>

					<description><![CDATA[Top 10 eindejaarstips Beste lezer, Het einde van 2025 nadert, en dat betekent dat het tijd is om uw fiscale positie te optimaliseren. Met de recente wijzigingen in het Belastingplan en andere regelgeving bieden deze eindejaarstips praktische handvatten om belasting te besparen of uit te stellen. We richten ons op acties die u nog vóór [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h1><strong>Top 10 eindejaarstips</strong></h1>
<p>Beste lezer,<br />
Het einde van 2025 nadert, en dat betekent dat het tijd is om uw fiscale positie te optimaliseren. Met de recente wijzigingen in het Belastingplan en andere regelgeving bieden deze eindejaarstips praktische handvatten om belasting te besparen of uit te stellen. We richten ons op acties die u nog vóór 31 december 2025 kunt ondernemen.</p>
<p>Hieronder volgen 10 tips:</p>
<p><strong>Optimaliseer uw vermogenssamenstelling in box 3/vraag een nadere voorlopige aanslag aan</strong><br />
Roerende zaken voor eigen gebruik tellen niet mee in box 3. Overweeg grote uitgaven zoals een auto of meubels met spaargeld vóór 1 januari 2026 om uw box 3-vermogen te verlagen. Dit is vooral gunstig bij beleggingen met hogere forfaitaire rendementen (5,88% in 2025).</p>
<p>Door een verkochte onroerende zaak nog in 2025 te leveren via de notaris en de verkoopopbrengst op de bankrekening aan te houden, heeft u niet met het hoge forfaitaire rendement van 7,78% te maken over dat vermogen maar met het lagere forfaitaire rendement voor banktegoeden.</p>
<p>Vraag een nadere voorlopige aanslag inkomstenbelasting aan en betaal deze vóór het einde van het jaar<br />
Als uw voorlopige aanslag te laag is, vraag dan een nadere voorlopige aanslag aan. Betaal deze nog in 2025 om uw banktegoeden te verlagen, wat de box 3-heffing per 1 januari 2026 beperkt. Dien het verzoek in vóór 1 november 2025 om tijdige oplegging te garanderen.</p>
<p>Let op! Advisering rondom box 3 is altijd maatwerk en omvat meer dan hiervoor is beschreven.</p>
<p><strong>Controleer de tegenbewijsregeling voor box 3</strong><br />
Als uw werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire, maak gebruik van de tegenbewijsregeling voor 2017-2025 via het Opgaaf Werkelijk Rendement-formulier. Reageer hiervoor tijdig op berichten van de Belastingdienst. Op uw verzoek kunnen wij u assisteren bij het invullen van het formulier Opgaaf Werkelijk Rendement.</p>
<p><strong>Anticipeer op de btw-herzieningsregeling voor diensten</strong><br />
Per 1 januari 2026 geldt de herzieningsregeling ook voor investeringsdiensten aan onroerend goed boven € 30.000. Neem deze diensten vóór eind 2025 in gebruik om herziening te voorkomen.</p>
<p><strong>Keer dividend uit uw besloten vennootschap</strong><br />
In box 2 geldt in 2025 een tarief van 24,5% tot € 67.804 (of € 135.608 bij fiscale partners), daarboven 31%. Plan uitkeringen om optimaal van het lagere tarief te profiteren, rekening houdend met heffingskortingen en box 3-impact. Houd er rekening mee dat voor zover de algemene heffingskorting nog niet is afgebouwd, het effectieve belastingtarief over de dividenduitkering hoger kan zijn door de afbouw van de algemene heffingskorting omdat vanaf 2025 het box 2 inkomen ook meetelt voor de afbouw van de algemene heffingskorting.</p>
<p><strong>Benut de vrije ruimte in de werkkostenregeling (WKR)</strong><br />
De vrije ruimte is 2% over de eerste € 400.000 loonsom en 1,18% daarboven. Gebruik deze vóór 31 december 2025 voor onbelaste vergoedingen of verstrekkingen, zoals een eindejaarsbonus tot € 2.400 per werknemer.</p>
<p><strong>Koop een lijfrente bij pensioentekort</strong><br />
Bij een tekort aan pensioenopbouw kunt u in 2025 tot € 35.798 aan premies aftrekken (plus reserveringsruimte tot € 42.108). Betaal in 2025 voor aftrek in de IB en een lager box 3-vermogen per 1 januari 2026.</p>
<p><strong>Wacht met de aankoop van een tweede woning tot 2026</strong><br />
De overdrachtsbelasting voor niet-hoofdverblijfwoningen daalt van 10,4% naar 8% per 1 januari 2026. Stel de aankoop uit om kosten te besparen, tenzij het om eigen gebruik gaat (2% tarief).</p>
<p><strong>Voorkom boetes bij schijnzelfstandigheid</strong><br />
Vanaf 2025 handhaaft de Belastingdienst op schijnzelfstandigheid, met boetes vanaf 2026. Controleer zzp-relaties op dienstbetrekkingkenmerken en pas contracten en praktijk aan om risico&#8217;s te minimaliseren.</p>
<p><strong>Doe schenkingen vóór het jaareinde</strong><br />
Profiteer van de jaarlijkse vrijstellingen bij schenkingen aan kinderen of derden door vóór 31 december te schenken.</p>
<p><strong>Betaal giften aan goede doelen nog in 2025</strong><br />
Giften aan ANBI’s en steunstichtingen SBBI’s zijn aftrekbaar, mits u ze vóór 31 december betaalt.<br />
Overweeg ook een periodieke gift met notariële akte: dan vervalt de drempel en is het volledige bedrag aftrekbaar.</p>
<p>Let op! Er kunnen nog wijzigingen optreden voor het jaareinde.</p>
<p>mr. Ewoud de Ruiter &#8211; <a href="https://www.linkedin.com/in/ewoudderuiter/" target="_blank" rel="noopener">(1) Ewoud de Ruiter ✅ TAX | LinkedIn</a></p>
<p>&nbsp;</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Fiscaal Praktijkblad: De bestedingseis voor de algemeen nut beogende instelling</title>
		<link>https://3rrrbelastingadviseurs.nl/vakbladen/de-bestedingseis-voor-de-algemeen-nut-beogende-instelling/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[admin]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 22 May 2025 14:09:18 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Vakbladen]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://3rrrbelastingadviseurs.nl/?p=1655</guid>

					<description><![CDATA[Als een stichting als algemeen nut beogende instelling (ANBI) wil kwalificeren, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Een belangrijke voorwaarde is de bestedingseis. In artikel 1b van de Uitvoeringsregeling AWR 1994 is opgenomen dat een ANBI niet meer vermogen mag aanhouden dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p>Als een stichting als algemeen nut beogende instelling (ANBI) wil kwalificeren, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Een belangrijke voorwaarde is de bestedingseis. In artikel 1b van de Uitvoeringsregeling AWR 1994 is opgenomen dat een ANBI niet meer vermogen mag aanhouden dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van de instelling. Wat betekent dat nu precies? In 2024 heeft de staatssecretaris van Financiën een beleidsbesluit gepubliceerd met daarin een verduidelijking van het bestedingscriterium voor ANBI die algemeen nut investeringen doen.</p>
<p><a href="https://3rrrbelastingadviseurs.nl/wp-content/uploads/2025/08/FP-2025-05-De-bestedingseis-voor-de-algemeen-nut-beogende-instelling-Ewoud-de-Ruiter.pdf" target="_blank" rel="noopener">Lees het gehele artikel in de Pdf.</a></p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Fiscaal Praktijkblad: Vennootschapsbelastingplicht van vereniging en stichting</title>
		<link>https://3rrrbelastingadviseurs.nl/vakbladen/vennootschapsbelastingplicht-van-vereniging-en-stichting/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[admin]]></dc:creator>
		<pubDate>Sun, 22 Sep 2024 14:20:41 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Vakbladen]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://3rrrbelastingadviseurs.nl/?p=1654</guid>

					<description><![CDATA[Voor zover verenigingen en stichtingen een onderneming drijven, zijn ze vennootschapsbelastingplichtig. Hierna ga ik in op de vraag wanneer sprake is van vennootschapsbelastingplicht. Vervolgens behandel ik het in augustus 2023 gepubliceerde nieuwe subsidiebesluit. Het nieuwe beleidsbesluit betekent voor een groter aantal verenigingen en stichtingen dat zij vennootschapsbelastingplichtig worden, omdat ze niet meer kunnen voldoen aan [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p>Voor zover verenigingen en stichtingen een onderneming drijven, zijn ze vennootschapsbelastingplichtig. Hierna ga ik in op de vraag wanneer sprake is van vennootschapsbelastingplicht. Vervolgens behandel ik het in augustus 2023 gepubliceerde nieuwe subsidiebesluit. Het nieuwe beleidsbesluit betekent voor een groter aantal verenigingen en stichtingen dat zij vennootschapsbelastingplichtig worden, omdat ze niet meer kunnen voldoen aan de nieuwe voorwaarden.</p>
<p><a href="https://3rrrbelastingadviseurs.nl/wp-content/uploads/2025/08/Fiscaal-Praktijkblad-2024-07-artikel-Ewoud-de-Ruiter-002.pdf" target="_blank" rel="noopener">Lees het gehele artikel in de Pdf.</a></p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Tips &#038; Actueel juni 2025</title>
		<link>https://3rrrbelastingadviseurs.nl/nieuwsbrieven/tips-actueel-juni-2025/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[admin]]></dc:creator>
		<pubDate>Sun, 22 Jun 2025 12:07:26 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Nieuwsbrieven]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://3rrrbelastingadviseurs.nl/?p=1627</guid>

					<description><![CDATA[Samenvatting van het Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 In mei 2025 is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 gepubliceerd. Dit wetsvoorstel is bedoeld om de Wet inkomstenbelasting 2001 aan te passen om in box 3 belasting te heffen over het werkelijke rendement uit sparen en beleggen, in plaats van het huidige forfaitaire systeem. [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2>Samenvatting van het Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3</h2>
<p>In mei 2025 is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 gepubliceerd. Dit wetsvoorstel is bedoeld om de Wet inkomstenbelasting 2001 aan te passen om in box 3 belasting te heffen over het werkelijke rendement uit sparen en beleggen, in plaats van het huidige forfaitaire systeem.</p>
<p>Hieronder volgt een samenvatting van de belangrijkste punten:</p>
<ol>
<li><strong> Voorgestelde wetgeving</strong></li>
</ol>
<p><em>Hoofdregel: Vermogensaanwasbelasting</em></p>
<p>Belasting wordt geheven over reguliere voordelen (zoals rente, dividend, huur) en zowel gerealiseerde als ongerealiseerde waardeontwikkelingen (koerswinsten/-verliezen) van vermogensbestanddelen, minus aftrekbare kosten.</p>
<p>Gerealiseerde waardeontwikkelingen doen zich bijvoorbeeld voor bij verkoop. Ongerealiseerde waardeontwikkelingen doen zich voor als een vermogensbestanddeel in waarde is gestegen of gedaald, maar het vermogensbestanddeel nog niet is verkocht.</p>
<p>Vermogensaanwas wordt jaarlijks bepaald door het verschil in waarde van bezittingen en schulden tussen begin en eind van het jaar, gecorrigeerd voor stortingen en onttrekkingen.</p>
<p><em>Uitzondering: Vermogenswinstbelasting (onroerende zaken en aandelen in start ups)</em></p>
<p>Voor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen wordt waardeontwikkeling pas belast bij realisatie (bijv. verkoop).</p>
<p>Reguliere voordelen uit onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen (zoals huur of dividend) worden wel jaarlijks belast.</p>
<p>Onroerende zaken: Economische huurwaarde van onroerende zaken (bijv. tweede woning) wordt belast als voordeel uit eigen gebruik, gebaseerd op een vastgoedbijtelling. De grondslag om de vastgoedbijtelling te bepalen is de WOZ-waarde. In het wetsvoorstel wordt uitgegaan van een vastgoedbijtelling van 3,35% van de WOZ-waarde.</p>
<p>Gegevensverstrekking: Ketenpartners (zoals banken) leveren gegevens voor vooraf ingevulde aangiftes, wat de administratieve last moet verlichten.</p>
<h3><em>Direct rendement onroerende zaken</em></h3>
<p>Bij onroerende zaken worden drie categorieën onderscheiden:</p>
<ol>
<li>Gehele jaar verhuur (minimaal 90% van het jaar verhuurd): belastingheffing over huuropbrengsten.</li>
<li>Gehele jaar niet verhuur: belastingheffing over vastgoedbijtelling op grond van forfait.</li>
</ol>
<ul>
<li>Gemengd gebruik: combinatie van verhuur (minder dan 90% per jaar) en van niet-verhuur. Hier wordt belast de hoogste van de twee: huuropbrengst of de vastgoedbijtelling.</li>
</ul>
<p>Voor onroerende zaken die het gehele jaar in aanbouw zijn wordt de vastgoedbijtelling op nul gezet. Als een onroerende zaak een gedeelte van het jaar in aanbouw is, wordt de vastgoedbijtelling tijdsgelang berekend over de periode waarin de onroerende zaak tot de bezittingen behoort en niet in aanbouw is.</p>
<p>Samenvattend ziet dat er als volgt uit<a href="#_ftn1" name="_ftnref1">[1]</a>:</p>
<p><img decoding="async" class="alignnone size-full wp-image-1642" src="https://3rrrbelastingadviseurs.nl/wp-content/uploads/2025/07/Wet-werkelijk-rendement-box-3.jpg" alt="" width="453" height="198" srcset="https://3rrrbelastingadviseurs.nl/wp-content/uploads/2025/07/Wet-werkelijk-rendement-box-3.jpg 453w, https://3rrrbelastingadviseurs.nl/wp-content/uploads/2025/07/Wet-werkelijk-rendement-box-3-300x131.jpg 300w" sizes="(max-width: 453px) 100vw, 453px" /></p>
<h3><em>Indirect rendement onroerende zaken</em></h3>
<p>De belastingheffing over het indirecte rendement van onroerende zaken is voor alle drie de hiervoor genoemde categorieën hetzelfde. Het indirecte rendement wordt in de belastingheffing betrokken bij vervreemding (verkoop) van de onroerende zaak. Andere vormen van het realiseren van het indirecte rendement (realisatie waardeontwikkeling) zijn: het tenietgaan van de onroerende zaak, het schenken van de onroerende zaak, het aangaan van een (al dan niet beperkte) gemeenschap van goederen (trouwen), scheiden, emigratie en overlijden van de belastingplichtige.</p>
<p>Er is in de wet geen mogelijkheid opgenomen om de winst behaald bij de verkoop van een onroerende zaak door te schuiven naar de aanschaf van een vervangende investering in een onroerende zaak.</p>
<h3><em>Waarde per 1 januari 2028 van belang</em></h3>
<p>Per 1 januari 2028 gaat de nieuwe belastingwetgeving in dat betekent dat de onroerende zaken per die datum gewaardeerd moeten worden om de fiscale kostprijs te bepalen (‘opgeofferd bedrag’). Deze wordt voor woningen bepaald op basis van de WOZ-waarde per 1 januari 2028 (WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2029). Voor huurwoningen waar de huurder recht heeft op huurbescherming geldt de leegwaarderatio (deze kennen we nu ook al om de waarde in box 3 te bepalen). Er kan dus belang bij zijn om de waarde volgens de WOZ-beschikking 2029 zo hoog mogelijk te laten vaststellen.</p>
<p>Voor alle niet-woningen ongeacht of ze verhuurd zijn of niet, geldt de waarde in het economische verkeer per 1 januari 2028 (wordt in principe via taxatie vastgesteld).</p>
<h3><em>Startende ondernemingen </em></h3>
<p>Waardeontwikkeling van aandelen/winstbewijzen wordt belast bij realisatie, zoals verkoop of einde van de startende fase. Het gaat om aandelenbelangen kleiner dan 5% in het kapitaal van de vennootschap.</p>
<p>Roerende zaken voor eigen gebruik zoals auto’s, caravans en boten blijven net als in het huidige box 3-stelsel buiten de belastingheffing.</p>
<p><em> </em></p>
<h3><em>Verzekeringsproducten </em></h3>
<p>Specifieke regels voor levensverzekeringen, met een overgangsregeling tot 2030 om belaste rentebestanddelen in box 1 of box 3 te regelen.</p>
<p>Kapitaalverzekeringen afgesloten vóór 2001</p>
<p>Voor kapitaalverzekeringen afgesloten vóór 2001 geldt nu onder bepaalde voorwaarden een vrijstelling in box 3. Dit gaat veranderen, het gaat echter te ver om in deze notitie op die veranderingen in te gaan.</p>
<h3><em>Vorderingen en schulden</em></h3>
<p>Rente op schulden is aftrekbaar als negatief inkomen; een schuldendrempel vervalt omdat rentedragende schulden relevant zijn voor de heffing.</p>
<p>Vorderingen en schulden moeten gewaardeerd worden op basis van de waarde in het economische verkeer. Dat kan betekenen dat als de rente gedurende een bepaalde periode vast staat en de marktrente schommelt de waarde van de vordering of de schuld van jaar tot jaar kan wijzigen.</p>
<p>Als de marktrente stijgt zal de waarde van een vordering dalen als de lage rente op die vordering langdurig vaststaat. Om e.e.a. administratief eenvoudig te houden wordt voorgesteld om de leningen tussen natuurlijke personen onderling op nominale waarde te waarderen. Een lening van de eigen b.v. zal wel jaarlijks gewaardeerd moeten worden.</p>
<p>Er komt een kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling voor vorderingen die worden kwijtgescholden voor financieel onvolwaardige vorderingen op schuldenaren.</p>
<h3><em>Verkrijgingen krachtens erfrecht</em></h3>
<p>Vorderingen op de langstlevende ouder op grond van het wettelijke erfrecht of testament, worden in het huidige box 3-stelsel niet in aanmerking genomen. Dat blijft zo onder de nieuwe regeling.</p>
<h3><em>Overige vrijstellingen</em></h3>
<p>In het huidige box 3-stelsel zijn een aantal vrijstellingen opgenomen. Twee van die vrijstellingen verdwijnen: die van de groene beleggingen en de vrijstelling van kortlopende termijnen.</p>
<h3><em>Aftrekbare kosten</em></h3>
<p>Door een vorm van regulering waarbij gedefinieerd wordt welke kosten wel en welke kosten niet aftrekbaar zijn, is het stelsel voor de burger duidelijker en voor de Belastingdienst beter uitvoerbaar.</p>
<p>Het uitgangspunt is dat uitsluitend kosten die verband houden met de inning, het behoud en de verwerving van de reguliere voordelen, in aftrek mogen komen. Dit zijn bijvoorbeeld onderhoudskosten of beheerkosten. De verbeteringskosten en de kosten die worden gemaakt ter verkrijging van een bezitting, bijvoorbeeld transactiekosten voor het aankopen en verkopen van beleggingen, worden in het vermogensaanwasregime anders behandeld dan in het vermogenswinstregime. Bij de vermogensaanwasbelasting worden deze kosten als storting in aanmerking genomen. Bij de vermogenswinstbelasting wordt de verkrijgingsprijs met deze kosten verhoogd, waardoor de kosten op het moment van verkoop bij het bepalen van het vervreemdingsvoordeel worden afgetrokken van de verkoopprijs. De kosten van betaalde rente voor schulden die in box 3 vallen, worden gezien als negatief inkomen in het vermogensaanwasregime.</p>
<p>Uitgaven met een gemengd karakter vallen niet onder kosten die verband houden met de inning, het behoud en de verwerving van de reguliere voordelen. Met een gemengd karakter wordt hierbij bedoeld: kosten die niet uitsluitend betrekking hebben op de reguliere voordelen, maar waarin ook een persoonlijke component zit besloten. Hierbij kan gedacht worden aan een krantenabonnement waarmee men ook op de hoogte kan blijven van koersontwikkelingen of kosten voor een bestelbusje dat voor een beleggingspand maar ook voor persoonlijke doeleinden kan worden gebruikt. Kosten worden dus niet gesplitst in een aftrekbaar deel dat betrekking heeft op box 3 en een niet-aftrekbaar deel dat ziet op persoonlijke doeleinden.</p>
<p>Sommige kosten zullen op grond van de wet niet aftrekbaar zijn. Denk onder andere aan kosten voor congressen, telefoonabonnementen en literatuur.</p>
<h3><em>Wanneer wordt belasting geheven?</em></h3>
<p>Voor reguliere voordelen geldt dat ze belast zijn op het moment dat de belastingplichtige de beschikkingsmacht erover krijgt (kasstelsel). Dat is het geval als de voordelen worden ontvangen, worden verrekend, ter beschikking worden gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar of inbaar zijn geworden. Reguliere voordelen die betrekking hebben op een periode van langer dan één jaar of een tijdvak langer dan zes maanden voor het begin van het kalenderjaar is aangevangen, worden toegerekend aan het kalenderjaar waarop zij betrekking hebben.</p>
<h3><em>Heffingsvrij resultaat</em></h3>
<p>Onder het huidige box 3-stelsel wordt gewerkt met een bepaald heffingsvrij vermogen. Onder het nieuwe stelsel wordt uitgegaan van een heffingsvrij resultaat wat op € 1.800 wordt gezet.</p>
<h3><em>Verliesverrekening</em></h3>
<p>Als in een jaar een verlies ontstaat (bijvoorbeeld door koersdaling van effecten) dan is dat met toekomstige box 3 inkomsten verrekenbaar (carry forward). Verliesverrekening is niet beperkt tot een aantal jaren. Er is dus geen terugwenteling naar een voorgaand jaar of voorgaande jaren mogelijk (carry back). Een box 3 verlies kan niet verrekend worden met inkomsten uit box 1 of box 2.</p>
<p>Als het verlies in een jaar niet hoger is dan € 500, wordt dit niet vastgesteld om te voorkomen dat belastingplichtigen daarvoor aangifte moeten doen.</p>
<h3><em>Belastingtarief</em></h3>
<p>Voor box 3 wordt een belastingtarief van 36% voorgesteld.</p>
<ol start="2">
<li><strong> Conclusie</strong></li>
</ol>
<p>Het wetsvoorstel introduceert een systeem dat belasting heft over het werkelijke rendement in plaats van een forfaitair rendement. De box 3 wetgeving wordt er niet eenvoudiger op. Van de belastingplichtige wordt op administratief gebied veel meer gevraagd.</p>
<p>Als de nieuwe wetgeving wordt aangenomen is het van belang om tijdig te anticiperen, hierbij vijf tips:</p>
<ol>
<li>Probeer de waarde van het onroerend goed per 1 januari 2028 zo hoog mogelijk te krijgen</li>
<li>Stel onderhoud uit voor zover kosten van onderhoud van onroerend goed na 1 januari 2028 vallen, kunnen deze in aftrek worden gebracht op het resultaat wat belast is in box 3.</li>
<li>Voor zover er na 1 januari 2028 onderhoud/verbeteringen wordt gepleegd waarvan de kosten geactiveerd moeten worden, verdient het de voorkeur om dat uit te stellen tot na 1 januari 2028 zodat de kostprijs van het onroerend goed verhoogd wordt.</li>
<li>Voor nieuwe investeringen in onroerende zaken is het van belang om na te gaan of dat in box 3 moet gebeuren dan wel dat via een besloten vennootschap te doen, waardoor de fiscale winstbepalingsregels in de besloten vennootschap kunnen worden toegepast. Via de herinvesteringsreserve, kunnen behaalde winsten op onroerend goed onder bepaalde voorwaarden worden doorgeschoven naar vervangende investeringen.</li>
<li>Als u overweegt om te emigreren, kan dat wellicht het beste voor 1 januari 2028 gebeuren, zodat niet afgerekend hoeft te worden over na 1 januari 2028 ontstane waardestijgingen.</li>
</ol>
<p>Met het vallen van het kabinet moeten we afwachten of de behandeling en het vervolgens aannemen van deze wetgeving wordt doorgezet.</p>
<p><a href="#_ftnref1" name="_ftn1">[1]</a> Bron: Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor het belasten van het werkelijk</p>
<p>rendement uit sparen en beleggen (Wet werkelijk rendement box 3), Memorie van toelichting</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Tips &#038; Actueel mei 2025</title>
		<link>https://3rrrbelastingadviseurs.nl/nieuwsbrieven/tips-actueel-mei-2025/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[admin]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 22 May 2025 12:07:58 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Nieuwsbrieven]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://3rrrbelastingadviseurs.nl/?p=1628</guid>

					<description><![CDATA[Overzicht belangrijkste fiscale maatregelen Belastingplan 2026 In deze notitie worden de belangrijkste aangekondigde fiscale maatregelen voor het Belastingplan 2026 samengevat. Deze maatregelen richten zich op het verbeteren van de koopkracht, het stimuleren van economische groei en het financieren van overheidsuitgaven. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste wijzigingen. Terugdraaien btw-verhoging op cultuur, media en sport [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h1><a name="_Toc197498881"></a>Overzicht belangrijkste fiscale maatregelen Belastingplan 2026</h1>
<p>In deze notitie worden de belangrijkste aangekondigde fiscale maatregelen voor het Belastingplan 2026 samengevat. Deze maatregelen richten zich op het verbeteren van de koopkracht, het stimuleren van economische groei en het financieren van overheidsuitgaven. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste wijzigingen.</p>
<h2><a name="_Toc197498882"></a>Terugdraaien btw-verhoging op cultuur, media en sport</h2>
<p>Het kabinet heeft besloten de in het Belastingplan 2025 voorgestelde verhoging van het btw-tarief van 9% naar 21% voor goederen en diensten in de sectoren cultuur, media en sport terug te draaien. Dit volgt op parlementaire weerstand en een motie in de Tweede Kamer. De maatregel zorgt ervoor dat deze sectoren betaalbaar blijven voor consumenten en ondersteunt de toegankelijkheid van culturele en sportieve activiteiten.</p>
<h2><a name="_Toc197498883"></a>Verlaging energiebelasting voor huishoudens</h2>
<p>Om de koopkracht van huishoudens te versterken, wordt de energiebelasting voor huishoudens in 2026 verlaagd. Deze maatregel is bedoeld om de lasten voor burgers te verlichten, vooral in het licht van fluctuerende energieprijzen. Exacte details over de omvang van de verlaging worden verwacht in de ontwerpbegroting op Prinsjesdag 2025.</p>
<h2><a name="_Toc197498884"></a>Stimulering medewerkersparticipaties voor start-ups en scale-ups</h2>
<p>Vanaf 2027 wordt een nieuwe fiscale regeling ingevoerd om belastingheffing op aandelenopties voor medewerkers van start-ups en scale-ups te verlagen. Het belastingtarief wordt verlaagd van 49,5% naar maximaal 32,17% door de grondslag voor aandelenopties te verkleinen tot 65%. Daarnaast betalen medewerkers pas belasting bij verkoop van de aandelen, in plaats van wanneer deze verhandelbaar worden. Deze maatregel moet Nederland aantrekkelijker maken voor innovatieve bedrijven en talent.</p>
<h2><a name="_Toc197498885"></a>Aanpassingen in box 3</h2>
<p>Als gevolg van een uitspraak van de Hoge Raad en uitstel van de Wet werkelijk rendement box 3 naar 2027, ontstaat een budgettaire derving. Om dit te compenseren, wordt het forfaitaire rendement voor overige bezittingen in 2026 en 2027 verhoogd met 1,78 procentpunt. Het forfait voor overige bezittingen stijgt daarmee naar 7,78%. Daarnaast wordt het heffingsvrije vermogen verlaagd naar €51.396. Huurinkomsten en voordelen uit eigen gebruik van een tweede woning worden vanaf 2026 meegeteld in het forfaitaire rendement, wat de belastingdruk op vastgoedbeleggingen verhoogt. Met het verhogen van het forfaitaire rendement voor overige bezittingen (niet liquide middelen) in box 3 wordt het nog belangrijker om na te gaan of een beroep op belastingheffing over het daadwerkelijk gerealiseerde rendement wenselijk is.</p>
<h2><a name="_Toc197498886"></a>Beperkte inflatiecorrectie inkomstenbelasting</h2>
<p>Ter dekking van de teruggedraaide btw-verhoging en andere uitgaven wordt vanaf 1 januari 2026 de inflatiecorrectie in de loon- en inkomstenbelasting beperkt tot 46,2% van de normale correctie. Dit betekent dat belastingschijven en heffingskortingen minder worden aangepast aan de inflatie, wat leidt tot een lichte verhoging van de belastingdruk, vooral voor hogere inkomens.</p>
<h2><a name="_Toc197498887"></a>Verlenging en verhoging RVU-vrijstelling</h2>
<p>De drempelvrijstelling voor de Regeling voor Vervroegd Uittreden (RVU) wordt per 2026 verhoogd en verlengd met drie jaar. Dit vergemakkelijkt vervroegd pensioen voor werknemers in zware beroepen. De financiering wordt deels gedekt door een stapsgewijze verhoging van de RVU-heffing naar 65% in 2028. Er is ook budget gereserveerd voor een mogelijke verlenging na 2028.</p>
<h2><a name="_Toc197498888"></a>Eindheffing voor fossiele brandstofauto’s vanaf 2027</h2>
<p>Vanaf 2027 mogen alleen emissievrije auto’s worden geleased indien ook privégebruik is toegestaan. Er komt een pseudo-eindheffing van 52% als een benzine- of dieselauto ter beschikking wordt gesteld aan de werknemer. De eindheffing komt voor rekening van de werkgever en mag niet worden doorberekend aan de werknemer.</p>
<h2><a name="_Toc197498889"></a>Overige maatregelen</h2>
<p>Vanaf 2027 worden de stakingsaftrek en meewerkaftrek met 75% versoberd, met volledige afschaffing in 2030. Dit dient ter financiering van de regeling voor start-ups en scale-ups.</p>
<p>In 2026 wordt de huurtoeslag eenmalig verhoogd om huurders met lagere inkomens te ondersteunen.</p>
<p>Het algemene tarief voor overdrachtsbelasting voor niet-hoofdverblijfwoningen wordt per 1 januari 2026 verlaagd van 10,4% naar 8%, om de woningmarkt te stimuleren.</p>
<h1><a name="_Toc197498890"></a>Nadere aandachtspunten Wet Tegenbewijsregeling Box 3</h1>
<p>In onze vorige nieuwsbrief hebben we al enige aandacht besteed aan de Wet tegenbewijsregeling box 3, hierna gaan we in op een aantal aandachtspunten. Ook behandelen we de kritiekpunten van de twee beroepsorganisaties voor belastingadviseurs: Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) en het Register Belastingadviseurs (RB). Deze wet is bedoeld om de periode te overbruggen tot het in werking treden van de nieuwe box 3 wetgeving per 1 januari 2028. De belastingplichtige heeft de mogelijkheid om te kiezen voor belastingheffing op basis van het forfaitaire rendement of het daadwerkelijk genoten rendement. Voor de jaren waarin de belastingaanslagen nog niet definitief zijn of om ambtshalve vermindering verzocht kan worden, wordt het een kwestie van uitrekenen wat het aantrekkelijkst is om te doen.</p>
<h2><a name="_Toc197498891"></a>Kern van de Wet</h2>
<p>De Wet tegenbewijsregeling box 3 biedt belastingplichtigen de optie om via een aangifte inkomstenbelasting aan te tonen dat hun werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Het werkelijke rendement omvat:</p>
<ul>
<li>Rente uit spaargelden en obligaties;</li>
<li>Dividenden en andere uitkeringen uit aandelen;</li>
<li>Huurinkomsten uit onroerend goed, na aftrek van kosten zoals hypotheekrente;</li>
<li>Waardeveranderingen van activa, zoals koerswinsten of -verliezen op beleggingen.</li>
</ul>
<p>Belastingplichtigen moeten zelf bewijsstukken aanleveren, zoals bankafschriften, dividendbewijzen, of taxatierapporten. De Belastingdienst beoordeelt deze bewijzen en kan de aanslag aanpassen als het werkelijke rendement lager is. De regeling geldt voor alle vermogenscategorieën in box 3, maar de bewijslast ligt volledig bij de belastingplichtige, wat administratieve uitdagingen met zich meebrengt.</p>
<p>Voor de verhuur van bijvoorbeeld woningen tussen verbonden partijen (denk ouder aan kind) gaat een zakelijkheidsbeginsel gelden, dat betekent dat een te laag hoor dan voor het inkomen in box 3 wordt gecorrigeerd naar een zakelijke huur.</p>
<p>Voor belastingplichtigen met een vakantiewoning die ze voor eigen gebruik hebben, gaat gelden dat ze rekening moeten houden met een bepaalde forfaitaire huur die als inkomen in box 3 moet worden aangegeven. Daarover is dan inkomstenbelasting verschuldigd. Deze bepaling krijgt veel kritiek: 1) hoe bepaal je de hoogte van de forfaitaire huur en 2)  hoe ga je om met een woning die deels voor de verhuur bestemd is en daarnaast ook leegstaat in afwachting van de verhuur. Zoals het wetsvoorstel er nu uitziet, zal de periode dat de vakantiewoning leegstaat in afwachting van verhuur meegerekend worden bij de periode van eigen gebruik. Dat betekent dat een te huur staande vakantie woning die niet daadwerkelijk wordt verhuurd en dus geen inkomsten genereert toch tot inkomstenbelastingheffing leidt over niet gerealiseerd rendement.</p>
<h2><a name="_Toc197498892"></a>Commentaren van de NOB</h2>
<p>De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) uit in haar reactie van 22 april 2025 haar zorgen over de rechtvaardigheid en uitvoerbaarheid van de Wet tegenbewijsregeling box 3. De NOB benadrukt dat het wetsvoorstel niet alleen moet voldoen aan de jurisprudentie van de Hoge Raad, maar ook moet leiden tot een EVRM-bestendig en rechtvaardig stelsel. Enkele specifieke punten van kritiek zijn:</p>
<ul>
<li>Afwezigheid van kostenaftrek: Behalve rentekosten worden andere kosten, zoals beheerkosten van beleggingen, niet aftrekbaar gemaakt. Dit kan leiden tot een onrealistische berekening van het werkelijke rendement.</li>
<li>Eigen gebruik van tweede woningen: De regeling houdt geen rekening met het eigen gebruik van bijvoorbeeld een tweede woning, wat de belastingdruk voor deze groep kan verhogen.</li>
<li>Keuze voor vermogensaanwasbelasting (VAB): De NOB betwijfelt of een VAB in plaats van een vermogenswinstbelasting (VWB) voor bepaalde inkomenscategorieën rechtvaardig is, omdat dit belasting heft over nog niet gerealiseerde winsten.</li>
</ul>
<p>De NOB waarschuwt dat deze tekortkomingen het gevoel van onrechtvaardigheid onder belastingplichtigen kunnen versterken, wat kan leiden tot nieuwe juridische procedures en aanhoudende onzekerheid voor zowel burgers als de Belastingdienst.</p>
<h2><a name="_Toc197498893"></a>Commentaren van het RB</h2>
<p>Het RB benadrukt de complexiteit en administratieve last van een tegenbewijsregeling:</p>
<ul>
<li>Hoge bewijslast: Belastingplichtigen moeten uitgebreide documentatie aanleveren, wat met name voor kleine spaarders en beleggers een onevenredige inspanning vereist.</li>
<li>Ongelijkheid: De regeling kan voordeliger zijn voor vermogende belastingplichtigen met toegang tot professionele adviseurs, terwijl minder vermogende burgers mogelijk niet in staat zijn om het benodigde bewijs te leveren.</li>
<li>Onzekerheid over uitvoering: Het RB wijst op de capaciteitsproblemen bij de Belastingdienst, die de behandeling van tegenbewijsaanvragen kan vertragen en inconsistenties in de uitvoering kan veroorzaken.</li>
</ul>
<p>Voor vragen of nadere toelichting, neem contact op met uw fiscaal adviseur.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Tips &#038; Actueel april 2025</title>
		<link>https://3rrrbelastingadviseurs.nl/nieuwsbrieven/tips-actueel-april-2025/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[admin]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 22 Apr 2025 12:05:39 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Nieuwsbrieven]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://3rrrbelastingadviseurs.nl/?p=1624</guid>

					<description><![CDATA[Bezwaren tegen ATAD 1 (earningsstrippingmaatregel) van woningcorporaties Recent was in het nieuws dat woningcorporaties bezwaar aantekenen tegen ATAD 1 (Anti-Tax Avoidance Directive 1) wegens het onevenwichtig uitpakken van de renteaftrek beperkende maatregel voor woningcorporaties. Het bezwaar aantekenen gebeurt onder andere op basis van de volgende juridische gronden: Schending van het evenredigheidsbeginsel – Woningcorporaties hebben een [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2><a name="_Toc194052309"></a>Bezwaren tegen ATAD 1 (earningsstrippingmaatregel) van woningcorporaties</h2>
<p>Recent was in het nieuws dat woningcorporaties bezwaar aantekenen tegen ATAD 1 (Anti-Tax Avoidance Directive 1) wegens het onevenwichtig uitpakken van de renteaftrek beperkende maatregel voor woningcorporaties. Het bezwaar aantekenen gebeurt onder andere op basis van de volgende juridische gronden:</p>
<ol>
<li>Schending van het evenredigheidsbeginsel – Woningcorporaties hebben een sociale taak en geen winstoogmerk. De toepassing van ATAD 1, met name de beperking van de renteaftrek, treft hen onevenredig hard en druist in tegen het doel van de wetgeving, die belastingontwijking door multinationals moest aanpakken.</li>
<li>Verstoring van de fiscale neutraliteit – Woningcorporaties opereren binnen een gereguleerd stelsel en zijn niet te vergelijken met commerciële vastgoedbedrijven. De beperking van de renteaftrek zet hen fiscaal op achterstand, wat strijdig kan zijn met het neutraliteitsbeginsel.</li>
<li>Schending van het eigendomsrecht (EVRM, artikel 1 Eerste Protocol) – De extra belastingdruk kan worden opgevat als een disproportionele inbreuk op het eigendomsrecht, omdat woningcorporaties geen keuzevrijheid hebben in hun financieringsstructuur en verplicht zijn om te investeren in betaalbare huisvesting.</li>
<li>In de ATAD-richtlijn is een uitzondering opgenomen voor langlopende infrastructurele projecten, deze uitzondering is voor bepaalde infrastructurele projecten wel toegepast. Dit kan als een vorm en een ongelijke behandeling worden gezien.</li>
</ol>
<p>Woningcorporaties beroepen zich in hun bezwaar dus vooral op disproportionaliteit, schending van fundamentele rechten en ongelijke fiscale behandeling.</p>
<p>Naar aanleiding van de aangekondigde bezwaarschriften tegen aanslagen vennootschapsbelasting heeft de kennisgroep haar standpunt doen uitgaan over het standpunt dat voor woningcorporaties  een vrijstelling van toepassing moet zijn op grond van het unierecht.  De kennisgroep heeft aangegeven dat artikel 4 ATAD1 lidstaten de mogelijkheid biedt om een vrijstelling voor woningcorporaties in het leven te roepen, maar dat dit niet verplicht is. Daarom is de maatregel in de Wet Vpb niet in strijd met het unierecht volgens de kennisgroep.</p>
<p>Op dit moment geven wij in overweging om voordat een aanslag vennootschapsbelasting definitief is na te gaan of bezwaar aantekenen zinvol is. Als dat het geval is, kan vervolgens beoordeeld worden of het mogelijk is om in afwachting van een al lopende procedure ter behoud van rechten bezwaar aan te tekenen en de Belastingdienst te verzoeken de uitspraak van de rechter af te wachten. Wij schatten de kans dat de woningcorporaties in het gelijk zullen worden gesteld door de rechter als klein in.</p>
<h2><a name="_Toc194052310"></a>Kennisgroepstandpunt: Fiscale verwerking wettelijke verhuiskostenvergoeding voor woningcorporaties</h2>
<p>De Kennisgroep Winstbepaling heeft recent een standpunt gepubliceerd over de fiscale behandeling van de wettelijke verhuiskostenvergoeding die woningcorporaties aan huurders betalen bij renovatie- en verduurzamingsprojecten. Volgens artikel 7:220 van het Burgerlijk Wetboek zijn verhuurders verplicht een verhuiskostenvergoeding te verstrekken wanneer huurders tijdelijk hun woning moeten verlaten vanwege dergelijke werkzaamheden.</p>
<p>Belangrijkste bevindingen:</p>
<p>Activeren van kosten: De Kennisgroep concludeert dat deze wettelijke verhuiskostenvergoeding moet worden geactiveerd. Dit betekent dat de vergoeding als onderdeel van de renovatie- of verduurzamingskosten wordt beschouwd en op de balans wordt opgenomen als investering in het vastgoed.</p>
<p>Onderbouwing: Deze conclusie is gebaseerd op jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin is bepaald dat alle noodzakelijke uitgaven om een bedrijfsmiddel in de gewenste staat te brengen, inclusief uitkoopsommen aan huurders, tot de aanschaffings- of voortbrengingskosten behoren en derhalve geactiveerd dienen te worden.</p>
<p>Voor woningcorporaties en andere verhuurders is het essentieel om bij het plannen van renovatie- of verduurzamingsprojecten rekening te houden met deze fiscale verplichting. Het activeren van de verhuiskostenvergoeding kan invloed hebben op de financiële verslaglegging en belastingpositie van de organisatie.</p>
<p>Als u hierover meer wilt weten verzoeken wij u contact met ons op te nemen.</p>
<h2><a name="_Toc194052311"></a>Update rechtsherstel box 3 – publicatie wetsvoorstel tegenbewijsregeling box 3</h2>
<p>Op 14 maart 2025 heeft het kabinet het wetsvoorstel tegenbewijsregeling box 3 ingediend bij de Tweede Kamer. Dit voorstel biedt belastingplichtigen de mogelijkheid om aan te tonen dat hun werkelijk behaalde rendement lager is dan het forfaitaire rendement dat de Belastingdienst hanteert. Indien dit het geval is, kunnen zij de teveel betaalde belasting terugkrijgen. Het wetsvoorstel dient als tijdelijke maatregel totdat de Wet werkelijk rendement box 3 naar verwachting in 2028 wordt ingevoerd. ​</p>
<p><strong>Belangrijkste punten van het wetsvoorstel:</strong></p>
<p>Tegenbewijsregeling: Belastingplichtigen kunnen per jaar het werkelijk behaalde rendement over hun gehele box 3-vermogen aantonen. Dit omvat zowel directe opbrengsten, zoals rente, dividend en huur, als de waardeveranderingen van het vermogen gedurende het jaar. ​</p>
<p>Formulier Opgaaf werkelijk rendement: Vanaf de zomer van 2025 wordt dit formulier beschikbaar via Mijn Belastingdienst. Hiermee kunnen belastingplichtigen het werkelijk rendement vanaf 2017 opgeven. De Belastingdienst zal ondersteuning bieden bij het invullen van dit formulier. ​</p>
<p>Geen verliesverrekening en kostenaftrek: Verliezen kunnen niet worden verrekend met andere kalenderjaren, en kosten zoals advies- of onderhoudskosten zijn niet aftrekbaar. Alleen de rente van box 3-schulden mag in mindering worden gebracht. ​</p>
<p><strong>Meest genoemde kritiekpunten:</strong></p>
<p>Uitvoerbaarheid: De Raad van State uit zorgen over de praktische uitvoerbaarheid van de regeling. De Belastingdienst staat voor de uitdaging miljoenen aanslagen te herzien, terwijl er een aanzienlijk personeelstekort is. Dit maakt de implementatie complex en kan leiden tot vertragingen. ​</p>
<p>Bewijslast bij belastingplichtigen: Het aantonen van het werkelijk behaalde rendement vereist gedetailleerde financiële informatie. Banken en verzekeraars kunnen mogelijk niet alle benodigde gegevens verstrekken, wat het voor belastingplichtigen bemoeilijkt om hun recht op rechtsherstel uit te oefenen. ​</p>
<p>Complexiteit en administratieve last: De regeling kan leiden tot een verhoogde administratieve last voor zowel belastingplichtigen als de Belastingdienst. Het verplicht stellen van standaardformulieren en het verlengen van wettelijke termijnen worden voorgesteld om deze lasten te verlichten. ​</p>
<p>Vastgoedbeleggers moet bij het bepalen van het werkelijk rendement rekening houden met de huur, de gemaakte kosten mogen hierop niet in mindering worden gebracht. Het betreft kosten van onderhoud, verzekeringen en gemeentelijke belastingen. Rentelasten mogen wel worden afgetrokken. Deze rechtsregel heeft de Hoge Raad geformuleerd in haar uitspraken over de box 3 heffing. De wetgever heeft deze rechtsregel overgenomen in het wetsvoorstel. Daarop is al kritiek gekomen, de Staatssecretaris van Financiën heeft al aangegeven dat hij de wet op dit punt alleen zal aanpassen als daar in de begroting ruimte voor wordt gevonden.</p>
<p>Ondanks deze kritiek erkent de Raad van State de noodzaak van het wetsvoorstel voor rechtsherstel in box 3. Het kabinet wordt aangemoedigd om de uitvoerbaarheid te verbeteren en de belastingplichtigen adequaat te ondersteunen bij het leveren van tegenbewijs.</p>
<h2><a name="_Toc194052312"></a>Wetsvoorstel box 3 afgewezen door de PVV wegens heffing ongerealiseerde winsten</h2>
<p>Het nieuwe wetsvoorstel box 3 blijft de gemoederen bezighouden. De datum van beoogde invoering wordt steeds uitgesteld. De PVV (de grootste regeringspartij) wil niet verder met het wetsvoorstel. Dit omdat die partij het oneerlijk vindt dat er straks sprake is van een vermogensaanwasbelasting, waarbij papieren winsten ook in de belastingheffing worden betrokken. De Staatssecretaris van Financiën zal met extra vertraging worden geconfronteerd als het bestaande wetsvoorstel niet op korte termijn ter behandeling aan de Tweede Kamer wordt gezonden. Dat zou dan betekenen dat de beoogde invoeringsdatum per 2028 niet gehaald zal worden.</p>
<p>Door ook de vermogensaanwas in de belastingheffing te willen betrekken wordt in strijd met het voorzichtigheidsbeginsel gehandeld, er wordt niet gerealiseerde winst in de belastingheffing betrokken. Dat lijkt ons niet wenselijk. Een ander bezwaar is dat beleggers mogelijk gedwongen kunnen worden om een deel van de beleggingen liquide te maken om de belasting over de papieren boekwinst te betalen.</p>
<p>Ook al is nog onzeker wanneer de nieuwe box 3 wetgeving in werking treedt en hoe deze er uiteindelijk uit komt te zien. Het is wel van belang om bij nieuwe beleggingsbeslissingen een afweging te maken tussen beleggen in box 2 en beleggen in box 3.</p>
<h2><a name="_Toc194052313"></a>Opdrachtgevers leggen risico op naheffing bij zzp’er</h2>
<p>In veel nieuw gesloten contracten treffen zzp’ers een clausule aan waarin staat dat de financiële risico’s op naheffingen bij de zzp’er worden neergelegd. Boetes en naheffingen komen op grond van die bepaling voor rekening van de zzp’er. Deze bepaling is veelal in strijd met de wet. Dat betekent dat het niet zomaar mogelijk is om naheffingen en boetes te verhalen op de opdrachtnemer (zzp’er). Als u wilt weten wat uw positie als opdrachtgever in deze is bij de inhuur van zzp’ers kunnen wij u informeren wat de mogelijkheden zijn om uw financiële risico’s zoveel als mogelijk te beperken bij de afspraken die u maakt bij de inhuur van zzp’ers.</p>
<h2><a name="_Toc194052314"></a>Vertraging wetsvoorstel verduidelijking arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR)</h2>
<p>Op dit moment is de behandeling van het wetsvoorstel verduidelijking arbeidsrelaties en rechts-vermoeden (VBAR) in behandeling in de Tweede Kamer. Naar aanleiding van een recente uitspraak van de Hoge Raad in de Uber/FNV-zaak over de vraag in hoeverre het ondernemerschap meegewogen moet worden. Deze uitspraak heeft tot gevolg dat het wetsvoorstel VBAR moet worden aangepast, Minister Eddy van Hijum gaat het wetsvoorstel aanpassen en is nog steeds van plan om het per 1 januari 2026 in te laten gaan.</p>
<p>Het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) is ontworpen om meer duidelijkheid te scheppen over de kwalificatie van arbeidsrelaties en om schijnzelfstandigheid tegen te gaan. De belangrijkste punten van dit wetsvoorstel zijn:​</p>
<ol>
<li>Verduidelijking van het gezagscriterium: Het wetsvoorstel specificeert het begrip &#8216;werken in dienst van&#8217; door drie hoofdelementen te introduceren:​</li>
</ol>
<p>Werkinhoudelijke aansturing (A): De mate waarin de werkgever aanwijzingen en instructies geeft over de uitvoering van het werk en controle uitoefent.​</p>
<p>Organisatorische inbedding (B): De mate waarin de werkzaamheden binnen het organisatorische kader van de organisatie van de werkgever vallen, zoals het behoren tot de kernactiviteiten of het structurele karakter van de werkzaamheden.​</p>
<p>Werken voor eigen rekening en risico (C): De mate waarin de werkende financiële risico&#8217;s draagt, verantwoordelijk is voor hulpmiddelen en zelfstandig naar buiten treedt.​</p>
<p>In het aangepaste wetsvoorstel zal bij de criteria die beoordeeld worden om vast te stellen of iemand zelfstandige is, ook gekeken worden of iemand zich buiten de arbeidsrelatie gedraagt als ondernemer. Wordt er BTW afgedragen, wordt er tijd en geld geïnvesteerd in het werven van klanten en wordt geïnvesteerd in de eigen onderneming.</p>
<ol start="2">
<li>Rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst bij laag uurtarief: Het wetsvoorstel introduceert een rechtsvermoeden dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst wanneer het uurtarief lager is dan €32,24 exclusief btw (peildatum 1 juli 2023). Dit betekent dat bij een dergelijk laag tarief wordt aangenomen dat er een dienstverband is, tenzij de werkgever kan aantonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. ​</li>
</ol>
<p>Het is belangrijk voor zowel werkgevers als werkenden om zich bewust te zijn van deze aankomende veranderingen en hun arbeidsrelaties tijdig te evalueren in het licht van de nieuwe criteria.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
	</channel>
</rss>
